Valcke thema 12 Samenvatting

Samenvatting “Motivatie en Leren”

1.Het thema motivatie heeft een directe relatie met de verschillende opvattingen over leren en instructie besproken in dit handboek.

2. Motivatie wordt gedefinieerd als de invloeden en de krachten die kenmerken van toekomstig gedrag beïnvloeden: de selectie, de mate van doorzetting, de inzet, de intensiteit en de mate waarin het gedrag wordt verder gezet.

3. Motivatie is gericht op doelgericht gedrag.

4. Motivatie staat in een wederkerige relatie tot het succes en falen van het gedrag dat er op volgt.

5. Behavioristische opvattingen over leren kunnen direct vertaald worden in termen van motivatie. De bekrachtigingsmechanismen en wetten bepalen het al dan niet uitvoeren van gedrag. Dit staat gelijk met de visie op motivatie in het behaviorisme.

6. Arousal is een emotie die – volgens de James-Lange theorie – het gevolg is van een perceptie, een daaruit vloeiend gedrag en een vaststelhng van interne reacties ( bv. zweten, hartkloppingen, . . . ) .

7. Hedendaagse benaderingen van motivatie delen een aantal assumpties: de cognitieve oorsprong, de reciproke relatie tussen motivatie en gedrag, de invloed van contextuele en sociale variabelen op motivatie, het feit dat motivatie evolueert, de invloed van individuele,
groeps- en de cultuurkenmerken.

8. De Expectancy-Value Theory stelt dat verwachtingen ten aanzien van het succes bij het uitvoeren van een taak en de ingeschatte waarde van een taak het vervolggedrag bepalen.

9. De waarde van een taak is bepaald door het belang, de intrinsieke waarde, de nuttigheidswaarde en de ingeschatte kosten.

10. Expectancies en value zijn motivationele opvattingen, samen met het affectief geheugen en opvattingen over de doelen, het zelfconcept en de perceptie over de moeilijkheid van de taak.

11. De motivationele opvattingen worden beïnvloed door onderliggende interne cognitieve processen: perceptie van sociale omgeving en interpretatie van vroegere leerprestaties.

12. Attributies zijn redeneringen die opgevoerd worden om eigen succes of falen te verklaren.

13. Vier types attributies kunnen onderscheiden worden: moeilijkheidsgraad van de taak, geluk, aanleg, geleverde inspanning.

14. Antecedenten beïnvloeden het attributieproces.

15. De attributies kunnen geordend worden naar hun stabiliteit, de locus ervan en de mate van controle erover door de lerende.

16. De context speelt een grote rol in de omgevingsbepaalde antecedenten.

17. Bij de persoonlijke antecedenten herkennen we de reciprociteit van motivatie en gedrag, maar ook attributies en de invloed van de hoeveelheid voorkennis.

18. Leerkrachten moeten bedacht zijn op de ‘consensus over’, ‘consistentie in en een ‘onderscheidend karakter’ van de redeneringen die de basis zijn voor attributies bij falen of succes van lerenden.

19. Attributies hebben een direct effect op interne processen: verwachtingen ten aanzien van succes, self-efficacy en affect.

20. In de Social Cognitive Theory is het modeleren een belangrijk ankerpunt voor het beïnvloeden van de motivatie van lerenden.

21. Bij het leren via modeleren speelt (1) de verwachting (expectations) een rol of een gedrag succesvol zal zijn en (2) de mate waarin men inschat dat men zelf dit gedrag
succesvol kan uitvoeren (self-efficacy).

22. Self-efficacy is specifieker dan self concept en is gericht op een inschatting van de mate waarin men een zeer specifiek doel of gedrag beheerst.

23. Bij extrinsieke motivatie voert men een taak of opdracht uit omdat dit iets oplevert. Bij intrinsieke motivatie pakt men de taak, opdracht aan omwille van de taak zelf.

24. De zelfdeterminatietheorie geeft een verdere onderbouwing aan de begrippen extrinsieke motivatie en intrinsieke motivatie.

25. De zelfdeterminatietheorie schuift een ontwikkeling naar voren van extrinsieke motivatie naar een intrinsieke motivatie.

26. De Locus of Control theorie verwijst naar de mate waarin men de eigen situatie kan beheersen. LOC staat voor de beheersingsoriëntatie.

27. Er wordt een interne en een externe LOC onderscheiden.

28. Men kan ‘affect’ situeren in alternatieve benaderingen van motivatie.

29. Affect omvat gevoelens en gemoedstoestanden.

30. De rol van angst speelt een herkenbare rol in een cognitivistische benadering van het leren.

31. De relatie tussen angst en leereffecten is onduidelijk en kan vanuit verschillende modellen benaderd worden.

32. Bij instructieverantwoordelijken speelt motivatie een even grote rol als bij de lerenden.

33. Beliefs verwijzen naar de eigen interpretatie, vooronderstellingen en uitgangspunten over de werkelijkheid.

34. Beliefs kunnen volgens heel verschillende dimensies geordend worden.

35. In de beliefs die relevant zijn voor instructieverantwoordelijken, vallen de opvattingen op m.b.t. onderwijs: een overdrachtsgerichte en een ontwikkelingsgerichte opvatting.

Tagged with: , ,

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.