Termen Ten steps

Lijst van belangrijkste termen welke in The Ten Steps gebruikt worden:


Merriënboer, J. J. G. van, & Kirschner, P. A. (2013). Ten steps to complex learning: a systematic approach to four-component instructional design. London: Routledge. Retrieved from www.itunes.apple.com
Authentic tasks [Authentieke taken]

Taak die in het werkelijke leven ook voorkomt. Omdat in een onderwijssituatie ondersteuning en begeleiding geboden wordt en de taak niet in de werkelijkheid wordt uitgevoerd, hoeft de authentieke taak niet identiek te zijn aan de werkelijke taak.
Cognitive schema [Cognitief schema]

http://www.fisme.science.uu.nl/wiki/index.php/Cognitief_schema  Het begrip cognitie staat voor ‘kennis’, voor ‘wat iemand weet’, populair voor ‘wat iemands geestelijke bagage is’. Een cognitief schema (of cognitief netwerk) is het samenhangende geheel van iemands kennis. Meestal wordt dan de kennis op een bepaald terrein (bijvoorbeeld tafelkennis of inzicht in breuken) bedoeld. Met het woord schema probeert men duidelijk te maken hoe men zich voorstelt dat de kennis is georganiseerd (in het geheugen).
Compartmentalization [compartimentering, verkokering, verzuiling]
Constituent skills [Samengestelde vaardigheden?]

Moeilijk te vertalen naar het Nederlands. De schrijver wil voorkomen dat het deelvaardigheden genoemd worden, alsof een set van losse deelvaardigheden tot een leertaak leidt. Het gaat namelijk altijd om de samenhang met de leertaak. Vaardigheden moeten gezien worden als een aspect van de leertaak.
Fragmentation [fragmentatie, versnippering]

In de afgelopen 50 jaar is er een overweldigend bewijs gevonden welk aantoont, dat het opdelen van een complex onderwerp in afgescheiden afzonderlijke onderdelen, en deze afzonderlijke onderdelen vervolgens onderwijst, zonder aandacht voor de onderlinge relaties, niet werkt.  De studenten zijn niet in staat de verschillende onderdelen te coordineren en integreren in situaties waar transfer benodigd is.
Holistic design

In tegenstelling tot een atomistische benadering, waarbij alles opgedeeld wordt in deeltjes, gaat de holistische benadering uit van het geheel. Dit vanaf de start van het onderwijs. In het begin wordt uitgegaan van een versimpelde weergave van het geheel, gedurende de studie neemt de complexiteit toe.
Induction [Inductie]

Van belang voor het creëren van transfer

http://nl.wikipedia.org/wiki/Deductie_versus_inductie Bij de bestudering van verschillende argumentatie- of bewijstechnieken is het onderscheid tussen deductie en inductie van belang. Bij deductie wordt veelal (maar niet uitsluitend) een gevolgtrekking gemaakt uit het algemene naar het bijzondere – vanuit de major-premisse wordt met een minor-premisse de conclusie afgeleid of gededuceerd. Inductieve methoden werken veelal (maar niet uitsluitend) andersom, hierbij komt men tot een algemene regel, generalisatie geheten, op grond van een aantal specifieke waarnemingen. Waar bij deductie de gevolgtrekking logisch onontkoombaar voortvloeit uit de aannames, is bij inductie de gevolgtrekking niet logisch onontkoombaar, maar waarschijnlijk.


Goed ontworpen leertaken bieden studenten concrete ervaringen voor het construeren van nieuwe cognitieve schemas of het aanpassen van bestaande .Volgens Van Merriënboer is induction de basis van complex leren en verwijst het naar generalization en discrimination.  Door op basis van concrete ervaringen te generaliseren of te abstraheren kunnen studenten schema’s construeren zonder de details. Deze schema’s kunnen de studenten vervolgens toepassen op andere situaties.  Discriminatie (onderscheiden) kan gezien worden als het tegengestelde van generalisatie. Door het gebruik van discriminatie kan een schema weer effectiever maken. Andere termen die Van Merriënboer gebruikt bij induction zijn “Mindful Abstraction” en “Implicit Learning”
Scaffolding[in de steigers zetten]

Probleem oplossende ondersteuning, geïntegreerd met het oefenen van leertaken. Scaffolding wordt minder naarmate de studenten meer expertise hebben. Gaat om het verantwoord voortbouwen op reeds aanwezige competenties.
Second-Order Scaffolding

Bij gewone scaffolding gaat het om vermindering van ondersteuning en begeleiding door bv een docent, bij second-order scaffolding gaat het om het verminderen van ondersteuning en begeleiding bij zelf gestuurd leren.
Task classes [Taak categorie]

Een categorie van gelijkwaardige leertaken, met dezelfde complexiteit die uitgevoerd kunnen worden met dezelfde ondersteunende informatie. In het leerproces gaan Task classess van simpel naar complex, met verminderde ondersteuning.
Transfer

Het vermogen om een aangeleerde complexe vaardigheid in nieuwe onbekende situaties te kunnen toepassen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden in “near transfer” en “far transfer”. Lijkt de nieuwe situatie op de getrainde situatie of is deze echt anders. De termen “retention” en “self-transfer” worden gebruikt in situaties waar de taken hetzelfde zijn als de getrainde taken.
Transfer paradox

Traditionele ontwerpmodellen volgen vaak een atomistische aanpak en zijn daarom niet erg succesvol in het voorkomen van compartimimentering en fragmentering en/of het omgaan met de transfer paradox.


Voor de aanpak van de transfer paradox is het nodig dat instructie altijd beging met een versimpeld, maar compleet beeld van de werkelijkheid. Welk overgebracht wordt door gebruik van deugdelijke didactische principes
Tagged with: ,

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.